De KATZ-schaal in Vlaamse woonzorgcentra
Werking, afhankelijkheidscategorieën en verantwoordelijkheden — Vlaamse regelgeving, stand 2026. Informatief document, geen juridisch of medisch advies.
Begeleidend document: BelRAI LTCF in Vlaamse woonzorgcentra — het beoordelingsinstrument dat de zorgplanning stuurt. De twee horen samen gelezen te worden: KATZ stuurt de financiering, BelRAI de zorg.
Waarom de KATZ-categorie er voor de bewoner wél toe doet
Vaak wordt gezegd dat de KATZ-inschaling “enkel intern is, voor de subsidie”. In de praktijk ligt dat anders. De categorie bepaalt via de personeelsnormen hoeveel zorgpersoneel de voorziening gefinancierd krijgt — het is geen abstract cijfer maar de handen aan het bed. Als principe geldt: een hogere categorie financiert meer personeel (art. 430, §1 — na te rekenen, niet in cijfers overgenomen)[1]. En waar een opnamecontract de zorg uitdrukkelijk aan de KATZ-schaal koppelt, bepaalt de categorie mee de zorg waarop de bewoner recht heeft.
Het formulier wordt in het woonzorgcentrum zelf ingevuld en wordt pas extern getoetst wanneer iemand het opvraagt — de adviserend arts van de zorgkas of de Zorgkassencommissie. Daarnaast geldt een wettelijke plicht: zodra de situatie zo evolueert dat een andere afhankelijkheidscategorie in overweging zou kunnen komen, moet het woonzorgcentrum een nieuwe indicatiestelling opstellen en de categoriewijziging binnen tien werkdagen melden (art. 440)[1].
Waar het misloopt, is zelden bij het scoren zelf. De subsidielogica beloont net een correcte, hogere inschaling — te laag scoren levert het huis niets op. Het risico zit bij de herevaluatie die uitblijft: de bewoner gaat achteruit, het formulier blijft staan. Dan weerspiegelt de categorie niet de werkelijke zorgzwaarte, en krijgt de bewoner minder gefinancierde — en bij een contractuele koppeling mogelijk minder verschuldigde — zorg. Een inschaling die stil blijft staan valt niemand vanzelf op: ze wordt pas zichtbaar wanneer iemand het formulier naast de dagelijkse situatie legt.
1. Wat het is en waarvoor het dient
De KATZ-schaal — officieel het Formulier Indicatiestelling, gebaseerd op Bijlage 41 — stelt de zorgafhankelijkheid vast van een bewoner in een woonzorgcentrum (WZC), centrum voor kortverblijf (CVK) of dagverzorgingscentrum (DVC). De uitkomst is een afhankelijkheidscategorie. Die categorie bepaalt de basistegemoetkoming zorg die de overheid aan het WZC betaalt — en daarmee mee de dagprijs.
Categorieën voor WZC/CVK (art. 425): O, A, B, C, Cd en D. Voor dagverzorging gelden aparte categorieën (art. 426): F, Fd en D; die vallen verder buiten dit document.
Wettelijke basis (BVR 30 november 2018, uitvoering Vlaamse sociale bescherming)[1]: art. 424 = de evaluatieschaal (de acht items en de scoredrempel); art. 425 = de categoriedefinities voor WZC/CVK; art. 426 = die voor dagverzorging; art. 441 = het omstandig verslag bij een categoriewijziging. Scoreregels via het Ministerieel Besluit van 15 mei 2019 (art. 2) en bijlage 1[2]. De definities stemmen overeen met het federale Bijlage 41[3].
2. De acht items en de scoredrempel
Het formulier scoort acht criteria (art. 424: §1 de zes fysieke items, §2 de twee oriëntatie-items), elk op een schaal van 1 (onafhankelijk) tot 4 (volledig afhankelijk).
| Fysieke items (6) | Oriëntatie-items (2) |
|---|---|
| Wassen · Kleden · Transfer & verplaatsingen · Toiletbezoek · Continentie · Eten | Oriëntatie in tijd · Oriëntatie in plaats |
Twee regels die bepalen hóé er gescoord wordt
Naast de acht items legt de regelgeving vast op welke manier ze beoordeeld worden. Eén zin in het Ministerieel Besluit van 15 mei 2019 (art. 2)[2] bevat twee regels die in de praktijk zwaar wegen: bij de evaluatie van elk criterium wordt rekening gehouden met de beperkingen, onafhankelijk van de oorsprong en onafhankelijk van de verleende zorg.
- Onafhankelijk van de oorsprong. Waar de beperking vandaan komt, doet niet ter zake. Voor de zes fysieke items maakt het geen verschil of iemand niet meer zelf kan eten door CBS, door een beroerte of door artrose. Er is geen diagnose nodig om een fysiek item te laten meetellen — dat geldt alleen voor de aparte diagnoseroute naar D en Cd.
- Onafhankelijk van de verleende zorg. Gescoord wordt de beperking, niet de toestand nadat er hulp is gegeven. “Met begeleiding lukt het goed” is dus geen grond om lager te scoren — dat de hulp er is, is net waarom het item meetelt.
De uitgewerkte scoreregels staan in bijlage 1 bij dat besluit, en die behandelt enkel de zes fysieke criteria. Voor de twee oriëntatie-items bestaat geen aparte bijlage; daarvoor geldt alleen de omschrijving in art. 424, §2[1].
Wie het formulier mag invullen
De indicatiestelling moet ingevuld zijn door de verpleegkundige die de mogelijkheid heeft gehad om de bewoner te observeren bij het uitoefenen van de handelingen van het dagelijks leven, of door de behandelend arts (art. 435, §2)[1]. Die voorwaarde is inhoudelijk, geen formaliteit: wie de bewoner niet in de dagelijkse handelingen heeft gezien, hoort het formulier niet in te vullen. Het exemplaar dat in het verzorgingsdossier wordt bewaard, draagt de handtekening van wie het heeft ingevuld.
Waar de grens tussen 2 en 3 ligt, per item
Bijlage 1 werkt elk item verder uit[2]. Omdat score 2 niet als afhankelijk telt en score 3 wel, is de overgang tussen die twee het enige punt dat een categorie kan doen kantelen.
| Item | Score 2 — telt niet mee | Score 3 — afhankelijk |
|---|---|---|
| Zich wassen | Actieve hulp boven óf onder de gordel. Of: zich zelf wassen met stimulering, zonder dat continu toezicht of continue aanwezigheid nodig is. Ook: enkel de rug óf enkel de voeten. | Telkens hulp nodig boven én onder de gordel. Of: zich nog gedeeltelijk zelf wassen met continue individuele stimulering (bijvoorbeeld vocaal) en continu actief toezicht. Ook: enkel de rug én de voeten. |
| Zich kleden | Gedeeltelijke actieve hulp boven óf onder de gordel (bijvoorbeeld corset, steunkousen). Of: zich kleden met stimulering zoals klaargelegde kledij, zonder continu toezicht of continue aanwezigheid. Enkel moeite met veters is score 1. | Telkens gedeeltelijke actieve hulp boven én onder de gordel. Of: continue individuele stimulering met continu actief toezicht. Of: hulp bij orthesen of lidmaatprothesen die nodig zijn voor de locomotorische autonomie. |
| Transfer en verplaatsingen | Zelfstandig, eventueel met loophulp (kruk, gaankader, rolstoel) of steunend op meubilair. Occasionele hulp van derden blijft score 2. | De persoon kan nooit opstaan, gaan zitten of neerliggen zonder hulp van derden. Of: hulp van derden bij elke verplaatsing. |
| Toiletbezoek | Hulp voor één van drie items: zich verplaatsen, zich kleden (broek laten zakken en optrekken, incontinentiemateriaal), zich reinigen. | Hulp voor twee van die drie. |
| Continentie | Occasioneel onvrijwillig verlies. Enkel 's nachts urine-incontinent, ook met occasioneel verlies overdag. Blaassonde, kunstaars of urostomie. Zelf autosondage. | Voortdurend onvrijwillig verlies van urine of faeces. Of: enkel continent dankzij mictietraining — minimum viermaal overdag geïndividualiseerde toiletbegeleiding, vermeld in het zorgplan of het dossier — of catheterisatie door derden. Of: bestendig onaangepast gedrag bij het verwijderen van urine of faeces. |
| Eten | Voorafgaande hulp (smeren, voorsnijden, inschenken). Of: zelfstandig met aangepast bestek, met occasionele hulp, of met stimulering zonder continu toezicht of continue aanwezigheid. | Minstens gedurende de ganse hoofdmaaltijd gedeeltelijke hulp van derden. Of: continue geïndividualiseerde stimulering en continu actief toezicht. |
Bij transfer en verplaatsingen worden alle mobilisatiebeperkende middelen bij de evaluatie buiten beschouwing gelaten.
Er is een tweede route naar score 3: toezicht in plaats van handen.
Bij wassen, kleden en eten kan score 3 ook worden gehaald zonder dat iemand de handeling overneemt. De bewoner doet het nog zelf, maar alleen met continue individuele stimulering — bijvoorbeeld vocaal — en continu actief toezicht. Blijft de begeleiding beperkt tot stimuleren zonder dat continu toezicht of continue aanwezigheid vereist is, dan is het score 2. Bij transfer en toiletbezoek bestaat die tweede route niet.
Bij CBS is dat onderscheid niet theoretisch. Apraxie betekent vaak dat de beweging op zich nog lukt, maar dat de handeling niet op gang komt of halverwege stilvalt. Wie kijkt naar wat iemand fysiek kán, komt op 2 uit. Wie kijkt naar wat er nodig is om de handeling rond te krijgen, komt op 3 — zelfde moment, zelfde item.
Bij eten is die tweede route bovendien becijferd. Bijlage 1 omschrijft continue geïndividualiseerde stimulering als één persoon die zich gedurende de hele maaltijd om maximaal drie bewoners bekommert[2]. Dat maakt van een inschattingskwestie een telbare voorwaarde: begeleidt één zorgkundige tijdens de maaltijd meer dan drie bewoners, dan is aan de omschrijving niet voldaan. De personeelsinzet bepaalt dus mee of dit criterium gehaald wordt — en de categorie bepaalt op haar beurt de gefinancierde personeelsinzet.
Wat de regelgeving niét bepaalt
Bijlage 1 werkt elk item uit, maar bevat geen algemene regel over de periode waarover je beoordeelt. Per item duiken wel woorden op die een structurele toestand veronderstellen — “telkens als”, “nooit”, “voortdurend”, “bestendig” — tegenover “occasioneel” en “accidenteel” bij de lagere scores. Daaruit volgt dat het om het gewone verloop gaat en niet om één moment. Maar een uitdrukkelijk voorschrift over hoeveel dagen je bekijkt, of over hoe je omgaat met een toestand die per dagdeel verschilt, staat er niet.
Voor een aandoening die sterk kan wisselen, zoals CBS, is dat geen detail. De uitkomst hangt mee af van wie wanneer kijkt, en daarover zegt de regelgeving niets.
3. De categorieën in één oogopslag — ADL × routes
Een categorie is geen optelsom van punten, maar een patroon: welke combinatie van items haalt de drempel 3/4, en via welke route (fysiek, psychisch of diagnose)? De matrix toont per categorie welke items afhankelijk moeten zijn.
| Cat. | Route | Wassen | Kleden | Transfer | Toilet | Continentie | Eten | Desor. tijd+plaats | Dementiebilan |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| O | onafhankelijk | – | – | – | – | – | – | – | – |
| A | fysiek | ◑ | ◑ | – | – | – | – | – | – |
| A | psychisch | – | – | – | – | – | – | ● | – |
| B | fysiek | ● | ● | ◑ | ◑ | – | – | – | – |
| B | psychisch | ◑ | ◑ | – | – | – | – | ● | – |
| C | fysiek | ● | ● | ● | ● | ◑ | ◑ | – | – |
| Cd | psychisch + zwaar fysiek | ● | ● | ◑ | ◑ | ● | ◑ | ◆ | ◆ |
| D | diagnose alleen | – | – | – | – | – | – | – | ● |
Zo lees je een rij (voorbeeld Cd): Wassen, Kleden én Continentie moeten alle drie afhankelijk zijn (●); van Transfer/Toilet/Eten volstaat er minstens één (◑); en er moet óf desoriëntatie in tijd en plaats zijn, óf een dementiebilan (◆ — één volstaat). Bij categorie O en A-psychisch is de persoon fysiek volledig onafhankelijk; O betekent bovendien “niet dement”.
4. De categorieën in woorden
De exacte wettelijke definities (art. 425 BVR 30 november 2018[1]; identiek aan Bijlage 41, verso[3], en aan de publieke definities van Iriscare[4]). “Afhankelijk” = score 3/4.
| Cat. | Voorwaarden |
|---|---|
| O | Fysiek én psychisch volledig onafhankelijk. |
| A | Fysiek: afhankelijk om zich te wassen of te kleden. — Of psychisch: gedesoriënteerd in tijd én ruimte, én fysiek volledig onafhankelijk. |
| B | Fysiek: afhankelijk voor wassen én kleden, én voor transfer/verplaatsingen en/of toiletbezoek. — Of psychisch: gedesoriënteerd in tijd én ruimte, én afhankelijk voor wassen en/of kleden. |
| C | Fysiek: afhankelijk voor wassen én kleden, én transfer/verplaatsingen én toiletbezoek, én incontinentie en/of eten. |
| Cd | Gedesoriënteerd in tijd én ruimte óf dementiediagnose via gespecialiseerd bilan, én afhankelijk voor wassen én kleden, én incontinentie, én transfer/verplaatsingen en/of toilet en/of eten. |
| D | Diagnose van dementie, vastgesteld op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie (arts-specialist in neurologie, psychiatrie of geriatrie, met schriftelijk verslag). Geen ADL-voorwaarden. |
5. Het scharnier: D versus Cd — definitie én financiering
Het definitieverschil (art. 425) — vaak fout samengevoegd, ook op informatieve websites:
- Categorie D vereist uitsluitend een geldig gespecialiseerd dementiebilan. Géén ADL-voorwaarde. Ook een lichamelijk vrij zelfredzame persoon met dementiediagnose valt onder D.
- Categorie Cd vereist een dementiediagnose óf desoriëntatie én zware fysieke afhankelijkheid (wassen + kleden + incontinentie + transfer/toilet/eten).
Bevestigd door: (1) voetnoot 2 op het formulier — “Niet invullen [oriëntatie-items] indien de patiënt een diagnose dementie heeft op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan”; (2) het formulierveld “OF: diagnose dementie … op datum van …” — men registreert dus ofwel de psychische scores, ofwel de diagnosedatum; (3) de eWZCfin-registratie neemt bij D/Cd de bilandatum als bepalende variabele.
Belangrijk: het bilan is niet het onderscheid — de ADL is dat
Een dementiebilan brengt je niet automatisch naar D. Wie een bilan heeft én zwaar ADL-afhankelijk is, voldoet aan beide categorieën tegelijk (D via de diagnose, Cd via de diagnose + ADL). Het onderscheidende criterium is dus niet het bilan, maar of de zware ADL aanwezig is. D is de categorie voor de dementerende die fysiek nog vrij zelfredzaam is; Cd voor de dementerende met zware fysieke afhankelijkheid.
Het feitelijke verschil: wat elke categorie financiert
De categorieën lopen op in gefinancierde omkadering: van laag naar hoog O, A, B, C, Cd. Elke stap hoger betekent meer gefinancierd verzorgend en/of verpleegkundig personeel. Categorie B financiert merkbaar minder zorgpersoneel dan C, en C minder dan Cd.
Categorie D is een dementiecategorie die op basis van de diagnose alleen wordt toegekend. Ze volgt een eigen financieringslogica die de zorgzwaarte van iemand met dementiediagnose maar zonder zware fysieke afhankelijkheid weerspiegelt. In gefinancierde omkadering ligt D daardoor lager dan B, C en Cd — het profiel veronderstelt weinig verpleegkundige omkadering en meer activering. De volgorde in gefinancierd personeel is dus O < A < D < B < C < Cd. Een dementerende die óók zwaar fysiek afhankelijk is, hoort daarom in C of Cd — niet in D, dat minder financiert. Zodra ook zware fysieke afhankelijkheid aanwezig is, is Cd de correcte categorie — die combineert de dementiedimensie met de verpleegintensieve fysieke zorg. De formele toewijzing tussen D en Cd gebeurt door de adviserend arts van de zorgkas op basis van de scores en het bilan samen.
6. Het gespecialiseerd diagnostisch bilan dementie
Voor categorie D (en de diagnoseroute van Cd) volstaat geen dementievermoeden. Vereist is een formeel, schriftelijk verslag door een arts-specialist in neurologie, psychiatrie of geriatrie. Een diagnose door de huisarts alléén volstaat niet. Het verslag is gedateerd en ondertekend; het is het externe document waarop de categorie steunt en het hoort in het verzorgingsdossier.
Dementie is de enige diagnose die de schaal kent. De acht items meten wat iemand nog zelf doet; daarnaast bestaat er precies één diagnoseroute, en die loopt uitsluitend via een gespecialiseerd bilan voor dementie. Een diagnose CBS verandert op zichzelf dus niets aan de categorie, hoe ingrijpend ze ook is — ze komt in de schaal niet voor. Wat wél meetelt zijn de gevolgen: apraxie, valrisico, traagheid en spraakproblemen tellen mee voor zover ze zich vertalen in de zes fysieke items, en verder niet.
Dat is geen uitsluiting van CBS. Gaat de aandoening gepaard met een dementiesyndroom en stelt een arts-specialist in neurologie, psychiatrie of geriatrie die diagnose schriftelijk vast, dan opent die route zich net zo goed — de regelgeving beperkt het bilan niet tot één onderliggende ziekte [1]. Het onderscheid ligt bij wat er in het bilan staat, niet bij de naam van de aandoening.
Uit onze ervaring.
De diagnose kwam laat. Dat ze in de eerste gesprekken met het woonzorgcentrum geen rol speelde, is te begrijpen — ze was er nog niet. Dat er ook daarna niets mee gebeurde, zegt meer: de diagnose is nooit teruggekomen in een gesprek over de inschaling.
7. Wie doet wat — de rolverdeling
| Actor | Verantwoordelijkheid |
|---|---|
| Het WZC (verantwoordelijke verpleegkundige) |
Vult de zes fysieke scores en de twee oriëntatie-items in, ondertekent, bepaalt de begindatum van de geldigheid, en registreert elektronisch bij de zorgkas (eWZCfin)[5]. Houdt het verzorgingsdossier bij, incl. de bilandatum bij D/Cd. Bij een categoriewijziging moet de nieuwe indicatiestelling steunen op een medische of verpleegkundige indicatie, gestaafd met een omstandig verslag dat in het verzorgingsdossier wordt bewaard (art. 441). In de praktijk gebeurt de invulling vrijwel steeds door het WZC. |
| De behandelend arts (doorgaans de huisarts) |
De artshandtekening is vereist wanneer de bewoner op basis van een gespecialiseerd dementiebilan in categorie D of Cd wordt ingedeeld (art. 435, §3)[1]. Op Bijlage 41 zelf is de handtekening van de arts vereist wanneer categorie D wordt aangevraagd, of bij een toename van de afhankelijkheid minder dan zes maanden na een schaalwijziging bij de laatste controle; in de andere gevallen tekent de verantwoordelijke verpleegkundige (naam en RIZIV-nummer of stempel)[3]. Bij een categoriewijziging geldt bovendien art. 441: het omstandig verslag moet door een arts ondertekend zijn als de wijziging binnen zes maanden na een Zorgkassencommissie-beslissing valt; anders volstaat een arts óf een verpleegkundige die de bewoner in de ADL kon observeren. De arts stelt de diagnose niet, scoort de ADL niet en kiest de categorie niet — ze bevestigt dat een specialistische dementiediagnose bestaat. Een ingevulde bilandatum verplicht op zich dus geen artshandtekening — daarvoor moet de indicatiestelling ook effectief D of Cd toekennen. Ontbreekt de handtekening op een indicatiestelling die dat wél doet, dan is het formulier niet volgens de voorschriften ingevuld. Dat de handtekening vereist is, is regelgeving; of het ontbreken de indicatiestelling ook onwettig of nietig maakt, is een juridische interpretatie die aan een raadsman toekomt. |
| De arts-specialist (neuro / psychiatrie / geriatrie) |
Stelt of bevestigt de dementiediagnose via een schriftelijk bilan. Is niet betrokken bij het invullen van het formulier; het bilan is een extern document in het dossier. |
| Adviserend arts van de zorgkas | Valideert de ingediende indicatiestelling en controleert of de categorie correct is toegekend. Dit is de neutrale toets die het systeem voorziet. |
| Zorgkassencommissie[7] | Controle achteraf: mag het zorgdossier inzien, medische informatie opvragen, onderzoek uitvoeren en de categorie op elk moment corrigeren. Beroepsprocedure mogelijk. |
8. Herevaluatie — wanneer en door wie
Voor het woonzorgcentrum is herevaluatie van de categorie niet periodiek maar gebeurtenis-gestuurd: er geldt geen vaste termijn zoals bij het zorgbudget thuiszorg. De verplichting ligt bij de voorziening en wordt getriggerd door een verandering in de zorgzwaarte.
| Bron | Wat het bepaalt |
|---|---|
| Art. 440 algemene trigger |
Zodra de situatie van de gebruiker zo evolueert dat een andere afhankelijkheidscategorie in overweging zou kunnen komen, moet het WZC een nieuwe indicatiestelling opstellen die overeenstemt met de werkelijke afhankelijkheid, en die melden aan de zorgkas binnen tien werkdagen na de verandering. Het is een plicht van de voorziening — geen aanvraag van de familie. |
| Art. 442 specifiek bij categorie D |
Voor een bewoner in categorie D moet het WZC bij elke wijziging op de fysieke criteria een aangepaste indicatiestelling overmaken. De bewoner blijft D (op grond van het dementiebilan), tenzij de fysieke wijziging leidt tot categorie B, C of Cd. Dit is het wettelijke mechanisme waarlangs een D-bewoner naar Cd verschuift zodra de fysieke criteria (incl. incontinentie) dat niveau halen. |
| Art. 441 vorm bij wijziging |
Elke categoriewijziging vergt een omstandig verslag met medische of verpleegkundige indicatie, bewaard in het verzorgingsdossier. Ondertekening: door een arts als de wijziging binnen zes maanden na een Zorgkassencommissie-beslissing valt; anders door een arts óf een verpleegkundige die de bewoner in de ADL kon observeren. |
| Art. 435, §2–§3 eerste indicatiestelling + handtekening |
De eerste indicatiestelling vergezelt de aanmelding (binnen tien werkdagen na opname). Voor D/Cd op basis van een dementiebilan moet de bilandatum in het verzorgingsdossier staan en is de artshandtekening vereist op de eerste indicatiestelling die naar die datum verwijst. Is die eerste ondertekend, dan hoeft een volgende indicatiestelling met dezelfde datum niet opnieuw door de arts te worden ondertekend. |
Geen vaste periodiciteit. In de WZC-artikelen (435–442) staat geen vaste geldigheidsduur of herevaluatie-interval; de herevaluatie is telkens gekoppeld aan een verandering in de afhankelijkheid. De geldigheidsduren van zes tot zesendertig maanden elders in de regelgeving betreffen het zorgbudget thuiszorg, niet de WZC-tegemoetkoming.
Familie-initiatief — te verifiëren. Een uitdrukkelijk recht voor de gebruiker of vertegenwoordiger om zelf een herziening van de WZC-categorie te vragen, is in de WZC-artikelen niet teruggevonden (het “recht om op ieder ogenblik herziening te vragen” staat in de zorgbudget-thuiszorgsectie). Voor het WZC lopen de sporen via de meldingsplicht (art. 440) en de controle/correctie door de Zorgkassencommissie.
Waarom een herinschaling vaak niets verandert — en waar je aandacht wél naartoe gaat
Bij CBS heeft het weinig zin om op een hogere categorie aan te sturen. De schaal meet zes dagelijkse handelingen plus oriëntatie en bepaalt daarmee de financiering van het huis — niet de zorg aan één bed. Wat CBS met iemand doet, valt er grotendeels buiten. Begrijpen hoe de categorie tot stand komt is iets anders, en dat helpt wél — al was het maar om te weten wat een gesprek erover kan opleveren en wat niet.
Dat verklaart waarom een herevaluatie na een duidelijke achteruitgang onveranderd kan terugkomen. Vanaf categorie B zijn er nog maar twee items die de categorie omhoog duwen: continentie en eten. Wassen, kleden, transfer en toiletbezoek kunnen alle vier naar 4 gaan zonder dat er iets beweegt, want C vereist daarbovenop “incontinentie en/of eten”. Vallen, apraxie, wegvallende spraak en nachtrisico hebben geen vakje.
Vóór een verhuis is dat extra nuttig, want wat een nieuw huis te zien krijgt is vaak alleen die categorie. Twee items bepalen daarbij het verschil.
- Eten. Bij CBS kantelt dit item vaak eerder dan continentie: hulp nodig hebben tijdens het eten is score 3, en dat volstaat als laatste voorwaarde voor C.
- Het dementiebilan. Staat er een bilandatum ingevuld, dan worden de oriëntatie-items niet gescoord (voetnoot 2 op het formulier[3]). Bij CBS wordt in een vroege fase niet zelden een dementiediagnose gesteld die later wordt bijgesteld, maar het bilan blijft op het formulier staan. De psychische kant van het dossier blijft dan hangen op een achterhaalde diagnose, zonder route waarlangs de werkelijke situatie er nog in komt. Dat bilan geeft recht op categorie D, maar D financiert minder dan B, C en Cd — het is geen opwaardering.
Verder hoeft het niet te gaan. Klopt de inschaling, dan is ze klaar; klopt ze niet, dan vraag je een correctie via de zorgkas. De zorg zelf stuur je niet via de KATZ-schaal maar via BelRAI en het woonzorgleefplan — daar hoort de aandacht naartoe.
9. Grenzen van de KATZ-schaal — en de verhouding tot de zorgplicht
De KATZ-schaal meet zes fysieke ADL-items en twee oriëntatie-items. Ze meet niet: nood aan vaste gezichten en structuur, nachtresponstijd, valpreventie, communicatie-ondersteuning of gedragsproblematiek.
KATZ stuurt de financiering, niet op zich de zorg
Wettelijk bepaalt de KATZ-categorie het financieringsniveau (de personeelsnormen en de tegemoetkoming, art. 430). Ze schrijft niet voor welke zorg de voorziening moet leveren. De zorgplicht zelf komt uit het Woonzorgdecreet van 15 februari 2019[8]: een woonzorgcentrum moet multidisciplinaire, individueel afgestemde zorg leveren en voor elke bewoner een woonzorgleefplan opstellen dat op maat is en continu wordt bijgestuurd. De KATZ-schaal als zorgnorm bespreken is dus in beginsel een non-discussie — tenzij het opnamecontract die koppeling zelf maakt.
Koppelt het contract zorg aan KATZ: een bodem, geen plafond
Legt de voorziening in haar contract vast dat zorg “volgens de Katz-schaal” wordt geleverd, dan ontstaat die koppeling louter contractueel — en ze kan enkel als minimum gelden, niet als bovengrens. Een contractueel beding kan de zorg niet lager leggen dan de dwingende kwaliteitsnorm van het Woonzorgdecreet (zorg op maat, woonzorgleefplan). Bij twijfel wordt zo’n door de voorziening opgesteld beding bovendien tegen de opsteller uitgelegd (contra proferentem) en conform de dwingende regelgeving gelezen. “De nodige verzorging volgens de Katz-schaal” betekent dus: de nodige zorg, met KATZ als financieringsreferentie — niet “enkel de zorg die de KATZ-items beschrijven”.
Wanneer een aandoening de KATZ-items structureel niet vat
Sommige zorgnoden — communicatie-ondersteuning, nachtrespons, valpreventie, structuur — komen in geen van de acht KATZ-items terug, ongeacht de aandoening. In dat geval blijft de vorige alinea (bodem, geen plafond) het uitgangspunt: het instrument meet ze niet, maar dat betekent niet dat de zorgplicht ze evenmin dekt. Voor een concrete toepassing bij CBS, zie Naar een woonzorgcentrum.
Uit onze ervaring.
In ons opnamecontract staat de KATZ-schaal uitdrukkelijk als maatstaf voor de te leveren zorg. Juist daarom woog het zwaar dat het lang heeft geduurd voor de inschaling werd aangepast: zolang de schaal stilstaat, staat ook het ijkpunt stil waarnaar het contract verwijst. Dat de schaal ondertussen nooit werd uitgelegd, maakte het onmogelijk om er iets zinnigs tegenover te zetten.
10. KATZ en BelRAI LTCF — de actuele stand
Assessment en financiering zijn twee verschillende sporen — nu naast elkaar.
- Assessment / zorgplanning: sinds 1 juni 2023 verving BelRAI LTCF de indicatiestelling als beoordelingsinstrument (wettelijke basis: Woonzorgdecreet 15 februari 2019). De uitrol verliep gefaseerd: 10% van alle bewoners tegen 31 december 2023, nieuwe bewoners binnen 8 weken na opname vanaf 1 januari 2024, 40% tegen 1 juni 2024, 70% tegen 1 januari 2025, en 100% tegen 1 juni 2025 (behalve wie net was opgenomen, binnen het 8-wekenvenster)[6]. Die laatste deadline ligt intussen meer dan een jaar achter ons.
- Financiering: zolang de financieringshervorming niet is doorgevoerd, blijft de KATZ-categorie het financieringsinstrument. De KATZ-categorie is dus nog steeds relevant voor de tegemoetkoming.
Gevolg: BelRAI stuurt de zorgplanning, KATZ stuurt (voorlopig) het geld. Een bewoner die sinds de overgang geen BelRAI LTCF-assessment kreeg, wijkt af van de regelgeving — los van de KATZ-categorie.
BelRAI LTCF is het eigenlijke zorginstrument. Het is ontworpen om zorgnoden breed en persoonsgericht in kaart te brengen — veel ruimer dan de acht KATZ-items — en het voedt het woonzorgleefplan. Waar de KATZ-discussie over financiering gaat, hoort de vraag “krijgt deze bewoner de juiste zorg?” thuis bij BelRAI + het woonzorgleefplan. Juist bij een aandoening die de KATZ-schaal niet vat, is BelRAI het instrument dat de reële noden wél kan weergeven. Ontbreekt een verplichte BelRAI LTCF-inschaling, dan is er geen deugdelijke basis voor de zorgplanning — een zelfstandig tekort, los van de KATZ-categorie.
Opvallend: zelfs de overheid organiseerde op 27 juni 2025 — ruim ná de verplichte volledige uitrol — nog een webinar getiteld “BelRAI: wat na de zachte opstart?”[9]. Wat dat precies zegt over hoe de invoering in de praktijk verloopt, is niet met zekerheid te stellen — het kan wijzen op een moeizame implementatie, maar evengoed op voortgezette ondersteuning van een instrument dat al in gebruik is.
11. De KATZ-schaal aan de poort — en wat er meereist
De KATZ-schaal bepaalt niet alleen de financiering. Bij meerdere woonzorgcentra bepaalt ze ook of iemand op de opnamelijst komt. Dat staat niet in een omzendbrief, maar in het opnamebeleid van de huizen zelf, openbaar gepubliceerd. Twee voorbeelden die wij nalazen:
- Een Vlaams woonzorgcentrum bepaalt dat kandidaat-bewoners met een score B, C, Cd of D voorrang krijgen op wie O of A scoort, en dat een O- of A-profiel “niet kan worden opgenomen, uitgezonderd in kortverblijf”[10].
- Een ander legt vast: “Enkel personen met een score A, B, C, Cd en D op de katz-schaal kunnen op de opnamelijst geplaatst worden.” Profiel O komt er niet op tot de score verandert, en de top van de opnamelijst is verdeeld per zorggraad[11].
De KATZ-schaal werkt daar dus als ondergrens: te licht scoren betekent geen plaats. Op zich is dat verdedigbaar — een woonzorgcentrum is bedoeld voor wie niet meer zelfstandig kan wonen. Wij bekeken twee opnamebeleiden, geen overzicht van de sector, en of die uitsluiting ergens verplicht is dan wel een keuze van het huis, hebben wij niet kunnen vaststellen.
Bij CBS zit het knelpunt niet aan de poort.
Aan de ondergrens loopt het bij CBS meestal niet mis. Categorie B vraagt afhankelijkheid voor wassen én kleden, plus transfer of toiletbezoek — precies de items waar apraxie, rigiditeit en gangstoornissen het eerst op ingrijpen. Wie vanuit CBS een plaats zoekt, haalt die drempel daarom doorgaans wel. Hoe algemeen dat geldt kunnen wij niet hard maken; het verloop verschilt sterk van persoon tot persoon.
Het knelpunt ligt een stap verder: de categorie klopt, maar ze beschrijft de bewoner niet. Communicatie, wisselend functioneren over de dag, pijn die niet gemeld kan worden, initiatiefverlies en de nood aan vaste gezichten komen in geen van de acht items terug — terwijl BelRAI die domeinen wél in kaart brengt. Een huis dat enkel de KATZ-categorie te zien krijgt, krijgt dus een juist cijfer en een beeld dat op tientallen andere bewoners evengoed past. Daarom doet het ertoe wat er bij een verhuis meereist.
Bij een verhuis reist de KATZ-categorie mee, de rest vaak niet
Wie van het ene woonzorgcentrum naar het andere verhuist, wordt bij het nieuwe huis voorgesteld met de KATZ-categorie. Dat hoeft niet zo te zijn. BelRAI-inschalingen worden bewaard in het VIP BelRAI, “de softwaretoepassing en de databank waarin inschalingen van BelRAI-instrumenten kunnen aangemaakt, bewaard en gedeeld worden”. Delen met een zorgverlener van een ándere organisatie kan, op twee voorwaarden: een zorgrelatie, en geïnformeerde toestemming van de persoon met een zorg- en ondersteuningsnood[12]. Die toestemming kan de vertegenwoordiger geven.
Wat je daarmee doet:
- Vraag eerst of er een BelRAI-inschaling bestaat. Sinds 1 juni 2025 hoort elke bewoner er één te hebben[6].
- Bestaat ze: geef als vertegenwoordiger uitdrukkelijk toestemming om ze te delen, en vraag het nieuwe huis om ze op te vragen.
- Leg de baseline uit het geriatrisch dagziekenhuis ernaast — die toont wat de KATZ-schaal niet ziet.
- Bestaat ze niet, of komt er geen antwoord: dat is een vraag voor de Woonzorglijn (zie 12).
Uit onze ervaring.
In bijna twee jaar is ons nooit gevraagd toestemming te geven om een BelRAI te delen — ook niet toen een verhuis dringend werd. Wat naar de huizen ging die wij overwogen, was de KATZ-categorie. We hebben in die periode ook nooit een BelRAI-inschaling gezien of erover horen spreken.
12. Klacht- en beroepskanalen
| Kanaal | Bevoegdheid |
|---|---|
| Zorgkas van de bewoner (via mutualiteit) | Indicatiestelling, correctie categorie, tegemoetkoming |
| Woonzorglijn (Departement Zorg) | Informatie- en klachtenkanaal — tel. 02 553 75 00 |
| Zorgkassencommissie | Controle achteraf, categoriecorrectie |
| Vlaamse Zorginspectie | Toezicht op kwaliteit en regelgeving |
| Vredegerecht | Bevel tot overlegging van documenten |
Bronnen
1. Besluit Vlaamse Regering 30 november 2018 — Codex Vlaanderen: art. 424 (evaluatieschaal), art. 425 (categorieën WZC/CVK: O/A/B/C/Cd/D), art. 426 (dagverzorging: F/Fd/D), art. 430 §1 (personeelsnormen per categorie), art. 435 (aanmelding + indicatiestelling + handtekening), art. 440 (nieuwe indicatiestelling bij evolutie), art. 441 (omstandig verslag bij wijziging), art. 442 (D-bewoner bij fysieke wijziging): codex.vlaanderen.be
2. Ministerieel Besluit 15 mei 2019 (uitvoering VSB, art. 2) — etaamb.openjustice.be · Codex: codex.vlaanderen.be
3. Bijlage 41 (recto/verso — categoriedefinities, drempel 3/4, voetnoot 2): begralim.be/docs/katz.pdf
4. Definities afhankelijkheidscategorieën — Stat Iriscare: stat.iriscare.brussels
5. eWZCfin-handleiding — Departement Zorg: zorg-en-gezondheid.be
6. BelRAI binnen de ouderenzorg, incl. het gefaseerde implementatietraject (10/40/70/100%-mijlpalen) — Departement Zorg: departementzorg.be
7. De Zorgkassencommissie — Departement Zorg: departementzorg.be
8. Woonzorgdecreet van 15 februari 2019 (zorgplicht op maat, woonzorgleefplan) — Codex Vlaanderen: codex.vlaanderen.be
9. Webinar “BelRAI: wat na de zachte opstart?” (27 juni 2025) — Kwaliteitscentrum Diagnostiek: kcdvzw.be
10. Opnamebeleid en wachtlijstenbeheer van een Vlaams woonzorgcentrum (KATZ-score als opnamevoorwaarde en voorrangsregel): veurne.be
11. Opnamebeleid van een Vlaams OCMW-woonzorgcentrum (minimumprofiel voor de opnamelijst, verdeling per zorggraad): sint-pieters-leeuw.be
12. Digitaal gebruik van BelRAI (VIP BelRAI als databank; delen buiten de organisatie vraagt een zorgrelatie én geïnformeerde toestemming) — Departement Zorg: departementzorg.be
Bronstatus: de artikelverwijzingen (art. 424, 425, 426, 430, 435, 440, 441 en 442 BVR 30 november 2018)[1], bijlage 1 bij het Ministerieel Besluit van 15 mei 2019[2] en Bijlage 41[3] zijn woordelijk tegen de geconsolideerde teksten gecontroleerd; de volgorde in gefinancierd personeel is narekenbaar uit art. 430, §1. Eén punt blijft open: de exacte einddatum van de financieringsovergang KATZ → BelRAI LTCF. Sectie 9 (“bodem, geen plafond”, de toepassing van contra proferentem) is geen citaat uit wet of rechtspraak maar een eigen juridische lezing, opgebouwd vanuit het Woonzorgdecreet en algemene contractrechtelijke principes — hierbij expliciet als zodanig gemarkeerd, niet door een advocaat bevestigd. Sectie 11 steunt op twee openbaar gepubliceerde opnamebeleiden[10][11]: twee voorbeelden, geen steekproef van de sector. Of het uitsluiten van O- en A-profielen ergens is voorgeschreven dan wel een keuze van de voorziening, hebben wij niet kunnen vaststellen.
